Het concrete leven als uitgangspunt nemen

Artikel geplaatst 13 januari 2012

Interview met Diana Skelton (VS), lid van het leiderschapsteam van de internationale mensenrechtenorganisatie ATD Vierde Wereld n.a.v. het verschijnen van de studie ’Extreme Poverty and World Governance’.

Onlangs verscheen van de beweging ATD Vierde Wereld een studie, getiteld ’Extreme Poverty and World Governance’. Wat is het verschil tussen armoede en extreme armoede?

Er is een groot verschil tussen beide. In situaties van extreme armoede is er sprake van een opeenstapeling van bestaansonzekerheden - op het gebied van voedsel, huisvesting, geld, werk, onderwijs, gezondheid, sociale contacten etc. - die zich uitstrekken over een langere periode, vaak over generaties heen. Er is ook sprake van stigmatisering. Dit leidt ertoe, dat mensen zich in hun
waardigheid ontkend zien. Ze worden uitgesloten en zijn niet in staat om in waardigheid te leven. Andere mensen die je in feite niet zien als een menselijk wezen: dat maakt het voor iemand bijna onmogelijk om verandering in de situatie te brengen. Extreme armoede heeft - anders dan armoede - tot gevolg, dat mensen de zeggenschap over hun eigen leven verliezen en voor zichzelf en hun gezin geen beslissingen kunnen nemen.

Waarom is er bij extreme armoede sprake van een schending van mensenrechten?

De verschillende mensenrechten vormen één geheel en zijn ondeelbaar. Al heel wat jaren is ATD Vierde Wereld in dialoog met mensen, die in situaties van extreme armoede leven; om hun moeilijkheden en mogelijkheden te leren begrijpen en te luisteren naar wat ze naar voren brengen. En wat deze mensen zeggen, is dat het van geen betekenis is om de verschillende mensenrechten als los
van elkaar staande rechten uit te werken. Dat, als je in extreme armoede leeft, je in geen enkele van die rechten wordt gerespecteerd. Dat, als je situatie zó moeilijk is, je hoe dan ook geen politieke stem hebt; zelfs als je in een land leeft, waarin het politieke systeem juist beoogt om mensen een stem te geven. In een situatie waarin je moet
vechten om te overleven, om te worden erkend als mens, om door anderen voor mens te worden aangezien, heeft spreken over "enkele aspecten van sociale uitsluiting, civiele rechten of vrije meningsuiting" geen betekenis. In zo’n situatie ligt alles in scherven.

Kenmerkend voor de aanpak van ATD Vierde Wereld
is dat initiatieven/acties niet hun startpunt vinden in
abstracties, maar beginnen bij het concrete, dagelijkse
leven van uitgesloten mensen. Wat is hiervan de diepere
achtergrond?

De oprichter van ATD Vierde Wereld, Joseph Wresinski, kwam in zijn dagelijkse leven veel situaties tegen, die een sterke doorwerking hebben gehad op zijn kijk op armoede en het onderkennen van extreme armoede als een schending van mensenrechten. Toen hij nog een kind was, wist hij al dat er in de stad waarin hij leefde vrouwen waren, die aan liefdadigheid deden en zijn moeder soms oude kleren of brandhout gaven. Maar op andere momenten staken deze vrouwen de straat over om zijn moeder maar niet te hoeven groeten. Ze beschouwden haar niet als een gewone buurvrouw en nog minder als
een goede ouder, maar als een object van liefdadigheid, als iemand die zich moest gedragen naar hun aanwijzingen. Ze gaven de moeder van de kleine Joseph het advies om haar kind naar een weeshuis te sturen. Het is vanwege dit soort ervaringen, dat Wresinski het zo belangrijk vond om te vertrekken vanuit het concrete leven van mensen en van dááruit verder te kijken. Geen eigen inbreng hebben: dat is wat ATD Vierde Wereld, iedere dag ziet bij mensen in extreme armoede.

Hoe is het mogelijk, dat ondanks de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in 1948 en de millenniumdoelstellingen in 2000 er nog geen einde is gekomen aan extreme armoede en dat het lijden van juist de armste mensen zelfs nog is verergerd?

Toen in 1948 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens werd geschreven, was het voor de internationale gemeenschap ontegenzeggelijk een hele stap voorwaarts om op een holistische manier en vanuit de rechten van mensen naar de wereld te kijken. Tegelijkertijd was het een periode in de geschiedenis, waarin niet alle regimes in de wereld eenzelfde bijdrage konden leveren. Het
kolonialisme was net op z’n retour. En er was de Koude Oorlog, die voor polarisatie zorgde en voorkwam dat naar het hele scala van mensenrechten werd gekeken als zijnde één geheel. Er waren in feite twee kampen, die lijnrecht tegenover elkaar stonden. Volgens de Westerse landen draaide het vooral om de burger- en politieke
rechten. Terwijl de Oostbloklanden juist benadrukten, dat de sociale en economische rechten het belangrijkst waren. De millenniumdoelstellingen in 2000 waren op een bepaalde manier een echte stap voorwaarts. Maar liefst 200 staatshoofden verklaarden het uitroeien van extreme armoede als de belangrijkste prioriteit ter wereld. Het was voor het eerst, dat er een inspanningsverplichting was uitgesproken op een zo hoog niveau. Dit was overigens van
tevoren niet voorzien. En wat gebeurde, was, dat deze ambitie nu wel was uitgesproken, maar dat tegelijkertijd de staatshoofden niet wisten hoe te beginnen. En om die reden zochten ze naar een referentiekader en naar een formulering van doelen. Dat werd gevonden in de millenniumdoelstellingen. Gezegd werd: ons doel is het om in een periode van 15 jaar te komen tot een daling van de extreme armoede met 50%. Daarmee was in feite de ambitie om extreme armoede uit te roeien en een op mensenrechten gebaseerde aanpak verdwenen. Je kunt niet spreken van een op mensenrechten gebaseerde aanpak als je naar een gezin in armoede toe stapt en zegt: 50% van jullie gezin zal worden gered. De andere 50% bekijkt
het maar. Dat is een aanpak, die zorgt voor verdeeldheid en geweld. Want mensen weten vanaf het begin, dat niet iedereen wordt bereikt. En dat het vechten wordt om bij de ’goede’ 50% te zitten. En mensen in extreme armoede weten al op voorhand, dat ze nooit deel zullen uitmaken van die 50%. Omdat zij degenen zijn, die het moeilijkst
bereikbaar zijn.

Moet de neoliberale globalisering van nu in dit verband worden gezien als kans of als obstakel?

Als we terugkijken naar de laatste tientallen jaren, dan is erg duidelijk, dat het neoliberalisme onze planeet en zijn bewoners niet beschermt. Integendeel. De ’onzichtbare hand van de markt’ stelt de waarde van individuele competitie centraal, maar heeft geen oog voor bescherming, grenzen en vangnetten, voor sociale verantwoordelijkheid. Het neoliberalisme vormt écht een sta-in-de-weg
voor het uitroeien van extreme armoede zolang het in gebreke blijft het belang van sociale cohesie onder ogen te zien. Wat de wereld nodig heeft, is niet een neoliberale globalisering en ook geen ’nanny state’ waarin de mensen worden betutteld en er voor de mensen wordt gedacht. Vraag is misschien eerder hoe we voordeel kunnen trekken uit het feit, dat we momenteel een kennis- en informatie-economie hebben. Er wordt nu op een compleet andere manier naar kennis en informatie gekeken. Meer en meer wordt het belang onderkend van sàmen kennis opbouwen. Kijk maar eens naar hoeveel mensen een bijdrage leveren aan bijvoorbeeld Wikipedia. Ingezien
wordt, dat hiermee een kennis kan worden opgebouwd, die voor iedereen echt belangrijk is. Tegelijkertijd weten we binnen ATD Vierde Wereld, dat er mensen zijn, die geen deel van deze ontwikkeling uitmaken. Er zijn geen ingangen voor hun intelligentie, voor hun creativiteit, om de wereld te verrijken. Hun kennis en analyses worden
compleet genegeerd. Terwijl die voor een evenwichtige ontwikkeling niet kunnen worden gemist.

Op 17 oktober 2005 had een delegatie van ATD Vierde Wereld een ontmoeting met de toenmalige secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Wat was de boodschap voor Kofi Anan?

De boodschap voor Kofi Anan kan misschien het beste worden verwoord met wat een van de delegatieleden naar voren bracht. Tita Vilarosa, een vrouw en grootmoeder uit de Filippijnen, die meer dan 15 jaar met haar gezin op een kerkhof in de hoofdstad Manilla heeft geleefd, zei: "Meneer de secretaris-generaal, maak ons tot jullie
partners in de strijd voor vrede, ontwikkeling en mensenrechten voor iedereen. Laten we jullie en onze kennis met elkaar delen en tot één geheel maken. Laten we in actie komen; niet langer apart van elkaar, maar samen."

Heeft ATD Vierde Wereld ervaring met dit ’samen kennis opbouwen’?

Véél ervaring zelfs! Onze ervaring is, dat kennisopbouw niet uitsluitend is voorbehouden aan onderzoekers, die mensen bestuderen door ze onder een microscoop te leggen. Iéder mens heeft een bepaalde kennis en intelligentie, die bijdraagt aan het geheel. Sámen kennis op bouwen krijgt gestalte door de kennis van academici,
mensen in extreme armoede en uit allerlei verschillende beroepen met elkaar in verbinding en wisselwerking te brengen. Ik geef een voorbeeld van ons team in Burkino Faso. Burkino Faso is een land als vele andere, waar je in de hoofdstad kinderen vindt, die op straat leven. ’Samen kennis opbouwen’ betekende voor het team van
ATD Vierde Wereld in Burkino Faso om te beginnen zorgvuldig luisteren naar deze kinderen. Wat er vaak gebeurt, is juist het tegenovergestelde. Alles is al bedacht. Maar in hoeverre wordt dan aangesloten bij de behoeftes en noden van de kinderen? Organisaties kunnen bv. wel bedenken, dat een weeshuis een oplossing is en kinderen voorstellen om daar gebruik van te maken en een vak te leren. Maar dit werkt zo niet, heeft het team ervaren. Veel kinderen
vertrekken alweer snel. Omdat het klimaat in de tehuizen niet echt uitnodigt om te blijven. Een ander punt: ze kunnen er maar tot een bepaalde leeftijd terecht. Daarna houdt het op. En dan? Zijn ze, als ze op zichzelf worden teruggeworpen zonder dat de verbroken of weggevallen verbindingen uit het verleden opnieuw zijn opgebouwd,
niet compleet afgesneden van alles wat deel uitmaakte van hun vroegere leven? En ze hebben op school ook nog eens te horen gekregen: “jullie toekomst ligt niet bij je ouders en de mensen daaromheen; jullie toekomst ligt in de steden.” Terwijl voor deze jongeren erbij horen de basis is voor werkelijk álles. Dat is ook de reden waarom er door het team met de jongeren is gekeken naar welke relaties er nog wél waren. De kleermaker bijvoorbeeld, die soms helpt met kleren herstellen en waar de kinderen vertrouwen in hebben. De verpleegster, die buiten haar werktijd helpt bij gezondheidskwesties. Het zijn dit soort misschien iele uitingen van solidariteit, die er nog zijn, die belangrijk zijn. En die moeten niet worden verzwakt of afgebroken. Nog iets dat het team leerde door goed te luisteren: hoe belangrijk het voor deze jonge mensen
is om iets concreets te kunnen bieden aan hun families, waar ze naar terug wilden. Deze families wonen vaak in kleine dorpjes. Met lege handen thuiskomen, zou worden ervaren als een mislukking. Alsof er met hun terugkomst nog een last bijkomt. Vandaar het belang voor deze jongeren om een beroep te kunnen leren en iets concreets in
handen te hebben waarmee ze voor de dag kunnen komen. En ook om bij terugkomst hun woordje te kunnen doen; met de leden van de familie en de dorpbewoners. Om de verbindingen van vroeger weer op te bouwen, op een manier waar iedereen trots op kan zijn: daarvoor zijn heel wat stappen nodig. Soms zijn er meerdere jaren mee gemoeid. Samen met het team is het een aantal jonge mensen in ieder geval gelukt om de banden met de familie en de kring van personen daaromheen te herstellen.

Wat voor soort bestuur is er volgens u nodig om extreme armoede uit te roeien?

Er zijn allerlei regerings- en bestuursvormen. Elk soort bestuur zal er op één of andere manier onder lijden als sommige van zijn burgers zijn afgesneden van de samenleving. Hoe meer mensen in staat worden gesteld van elkaar te leren, des te meer zullen ze contacten kunnen maken en verbindingen kunnen leggen, waardoor ook de meest uitgesloten mensen in staat zijn om het beste van zichzelf te geven. Hoe meer besturen dit kunnen verwezenlijken, des te meer zullen er oplossingen worden gevonden. Niet alleen voor de uitroeiing van
extreme armoede of de ontwikkeling van ’goed bestuur’, maar voor allerlei problemen waar de maatschappij mee te maken krijgt. Mensen in extreme armoede hebben een intelligentie over al dit soort vraagstukken, die door de samenleving niet is opgepikt. Naarmate er gebruik gemaakt wordt van deze intelligentie, zal er ook meer vooruitgang worden geboekt op het gebied van goed (wereld)bestuur.

Hoe kan werken aan de uitroeiing van extreme armoede, bijvoorbeeld in een land als Haïti, een transformatie van de maatschappij inhouden?

In Port-au-Prince, de hoofdstad van Haïti, is de beweging al sinds 25 jaar werkzaam. Een team van ATD Vierde Wereld werkt hier met mensen, die hun toevlucht hebben genomen tot de heuvels en rotsen rond Martissant, bij een plek, ’Grand-Ravine’ genoemd (groot ravijn; red.). De wijk is een van de armste van de stad en telt zo’n 20.000
inwoners. De enorme mobilisatie van internationale hulp die na de aardbeving in Haïti op gang is gekomen, ging in de eerste weken na de ramp compleet aan deze wijk voorbij. Het gebied is namelijk door de internationale hulporganisaties en de VN aangemerkt als ’red zone’. Vanwege veiligheidsrisico’s is het voor VN-personeel verboden om
hier te komen. NGO’s hebben dit voorbeeld gevolgd*. De eerste dagen na de aardbeving toen de mensen hoorden van de hulp, die wereldwijd op gang was gekomen, was iedereen nog heel optimistisch. Vervolgens moesten ze ervaren: er kómt helemaal geen hulp. Het team van ATD Vierde Wereld heeft toen besloten om internationale hulporganisaties te benaderen; voor voedsel, tenten en eerste hulp. Na weken van intensieve voorbereiding heeft dit
uiteindelijk geleid tot een uitdeling van pakketten met voedselsupplementen. De actie van ATD Vierde Wereld, samen met een hulporganisatie, was bedoeld om zeker te stellen dat iéderéén bereikt werd. Het was de ambitie om álle kinderen onder de 5 jaar uit de wijk te voorzien van voedselsupplementen. Vandaar het belang om genoeg tijd te nemen om iedereen te bereiken. Zo’n 10 jongeren, die
al langere tijd met de beweging samenwerken en voor een belangrijk deel uit de wijk zelf afkomstig zijn, hebben het team geholpen met een soort van volkstelling. Er moest namelijk wel worden voldaan aan allerlei procedures en voorwaarden. Eis was bv., dat het uitdelen van
voedsel op naam zou gebeuren. Een lichamelijk behoorlijk zwaar werk. Het merendeel van de huizen is namelijk slechts te voet te bereiken, via paden, bedekt met brokstukken en rommel. En de huizen zijn gebouwd bij een ravijn, op de flanken van de heuvels. Ook psychisch was het zwaar. De omstandigheden waren uiterst belabberd en de moeilijkheden gigantisch. Om er zeker van te zijn, dat iedereen bereikt werd, was het nodig om iedere persoon te ontmoeten en uitleg te geven. Alle namen moesten worden genoteerd. En nadien moest er nog een keer worden teruggegaan met de lijst van namen om zeker te
weten, dat die ook klopte. Wat alles behalve eenvoudig was. Veel mensen kunnen immers niet lezen en schrijven. En ze beschikken niet over officiële identiteitspapieren. Of hun naam wordt door verschillende instanties anders geschreven of is uit de registers uitgeschreven. Soms ook zijn mensen bang om hun identiteit kenbaar te maken. De jongeren hebben in ieder geval tien dagen lang de
wijk doorkruist in alle richtingen en zo contact gelegd met de bewoners. De telling wees uit, dat er in de wijk 3.500 gezinnen aan-
wezig waren, waarvan 3.300 gezinnen met kinderen onder de 5 jaar. Daarvan kregen er uiteindelijk bijna 3.000 een pakket voor hun kind(eren). Dat is behoorlijk wat. En de mensen in de wijk beschouwden het ook als een succes. Maar, stelde het team vast: toch hebben niet alle kinderen een pakket gekregen, alhoewel ze er wel recht op hadden. En een aantal gezinnen, die zich te goeder trouw meerdere malen hebben gemeld, zijn zonder pakket moeten vertrekken. Duidelijk was, dat het progamma niet beantwoordde aan de behoeftes van deze gezinnen; het was in de gegeven omstandigheden niet aangepast aan de wijk 1 .
Tegelijkertijd bevatte de voedseluitdeling elementen, die kunnen bijdragen aan een transformatie van het land. De door de jongeren gelegde contacten gingen verder dan alleen het registreren van namen. Er werd ook hulp geboden. En er werden verbindingen gelegd. naar de al lopende langere termijn projecten. Naar bv. de actie ’Bébés
bienvenus’ (Baby’s welkom, red.): moeders, die elkaar over en weer raad geven over voeding, gezondheidsproblemen, kinderziektes, toegang tot medische zorg, etc. Of naar de zogenaamde straatbibliotheken 2 en de Vierde Wereld Volksuniversiteiten 3 .
Op deze manier wordt er sociale cohesie opgebouwd. Voor een echte transformatie is uiteraard meer nodig. De transformatie die nodig is in Haïti is dezelfde als die nodig is in landen als Canada, Bolivia of in andere delen van de wereld. Mensen die in situaties van extreme
armoede zijn geraakt en die men altijd links heeft laten liggen, moeten de mogelijkheid krijgen om een actieve rol in onze maatschappij te spelen. Niet alleen om armoede te bestrijden, maar ook om ons te helpen bij het vinden van nieuwe benaderingen en een nieuwe kijk op het creëren van fatsoenlijk en waardig werk, goede huisvesting, onderwijs, de zorg voor het milieu en allerlei andere uitdagingen waar we voor staan.

Wat motiveert en inspireert u? En wat geeft u de moed en
het doorzettingsvermogen om aan de zijde te staan van
mensen, waarvan al zo lang is weggekeken?

Ik denk, dat ik ook namens de overige leden van het leiderschapsteam van ATD Vierde Wereld spreek als ik zeg dat we ons enorm bevoorrecht voelen door de mogelijkheid die we hebben om regelmatig mensen te ontmoeten; in verschillende landen en werelddelen. Het
zijn ontmoetingen met mensen die soms in de meest onmogelijke situaties leven; of dat nu in Nederland of New York City of de Democratische Republiek Congo is. We zien al deze ’gezichten van mensen’. Mensen die worden behandeld alsof ze ’niets’ zijn. Mensen soms ook met een enorme drang om zaken te belichten, om te spreken bijvoorbeeld over onderwerpen als geweld, maar die tegelijkertijd smalle paden en wegen zien, die kunnen leiden naar vrede. In Burkino Faso bijvoorbeeld spraken we een man, die
blind was. De mensen om hem heen zorgen ervoor, dat hij in contact kan blijven met de gemeenschap om hem heen. Tegelijkertijd is er sprake van een verbondenheid, die veel verder gaat dan die kleine kring. Toen we hem ontmoetten, spraken we met hem over vrienden van de beweging in Zuid-Oost Azië. die op allerlei manieren met
uitsluiting en grote moeilijkheden te maken hebben. De volgende dag vertelde hij dat hij niet had kunnen slapen. Hij bleef zich zorgen maken over deze mensen en hij begon een brief te dicteren om hen moed in te spreken. Ik moet ook denken aan een tienermeisje in New York
City. Haar hele leven heeft ze geleefd in de buurt van bendes, omringd door de meest schrijnende vormen van geweld, met alle risico’s van dien. Hoe deze jonge vrouw naar wegen zoekt om aan jonge kinderen iets compleet anders aan te bieden dan waarmee ze zijn opgegroeid.
Hoe ze tijd maakt om naar de jongeren toe te gaan en een straatbibliotheek te organiseren en met deze jongeren te praten. Dit heeft een ongelofelijke uitwerking op hoe deze jongeren naar de wereld kijken. Deze jonge vrouw is een toonbeeld van moed en doorzettingsvermogen. Het zijn dit soort ontmoetingen, die maken dat we ons bevoorrecht voelen en die ons inspiratie en moed geven.

Wat kunnen mensen in het Westen doen als bijdrage aan de reductie van extreme armoede in de wereld?

Om te beginnen wil ik reageren op het woord ’reductie’. Ik denk, dat we het moeten hebben over het ’uitroeien’ van extreme armoede! Om die reden kiest ATD Vierde Wereld ook voor een mensenrechten benadering. Belangrijk is, dat in elk land, inclusief de Westerse landen,
de mensen anders naar elkaar gaan kijken. Of mensen nu zijn opgegroeid in armoede, in extreme armoede, in rijkdom of uit de middenklasse komen: we zijn allemaal opgegroeid in een wereld die mensen in hokjes opdeelt, die van mensen stereotypes maakt. Eerst en vooral moeten we proberen om onze (gekleurde) brillen af te zetten. De werkelijkheid is veel genuanceerder dan de ’gemiddelde’-wereld die ons wordt voorgespiegeld. Er is sprake van veel verschillende werkelijkheden. We moeten echt leren anders te luisteren, willen we de ander kunnen begrijpen. Onbevooroordeeld en open luisteren naar wat het is, dat mensen tegen elkaar zeggen. Echt anders kijken ook. Zien dat we verschillend zijn. Onderkennen dat er
heel verschillende leefwerelden zijn, elk met een eigen logica. Dat - anders luisteren en anders kijken - zou al een enorme stap voorwaarts zijn voor ieder van ons. Het opent een weg om voorwaarden te creëren, die ervoor zorgen, dat ieder mens in respect en waardigheid kan leven. Iets dat erg belangrijk is in met name de Westerse landen,is dat er wordt afgerekend met een enorme misvatting. We zien die bv. ook terug in de debatten bij de Verenigde
Naties. Steeds is de context die van westerse landen, die de rest van de wereld vertellen wat ze moeten doen. Dat is het geval o.a. in het kader van extreme armoede. Die misvatting is gebaseerd op de veronderstelling, dat sommige westerse landen meer vordering hebben gemaakt op het gebied van de bestrijding van extreme armoede. Maar dat klopt gewoon niet. De opeenstapeling van
obstakels maakt de dagelijkse situatie van mensen in extreme armoede zó moeilijk, dat de meeste mensen zich er geen voorstelling van kunnen maken. En daar zit tegelijkertijd een grote moeilijkheid. Wat er daadwerkelijk speelt, wordt vaak niet geweten. Zo ontstaan
er allerlei beelden, maar dan beelden die ernstig tekort schieten. In mijn eigen land, de Verenigde Staten, toch een erg welvarend land, is er sprake van tal van mensen die in extreme armoede leven. Het land heeft de middelen. Maar het gebruikt die middelen om de dingen
zelfs nog moeilijker te maken voor deze mensen. Dat is oneerlijk. Veel westerse landen kennen een aanpak, die vertrekt vanuit de gedachte, dat als mensen leven in extreme armoede dat hun eigen schuld is, en dat ze niet geschikt zijn om ouders te zijn. Ik moet denken aan de
situatie van een specifiek gezin in de Filippijnen. Veel NGO’s in de Filippijnen hebben gekozen voor een aanpak, waarbij ze gezinnen benaderen, die in een erg onzekere situatie leven. Ze zien bijvoorbeeld, dat een familie acht kinderen heeft, en zeggen: dat zijn er te veel; we brengen twee kinderen onder in een weeshuis ergens in de stad. Dat gebeurde ook met het betreffende gezin, dat in uiterst moeilijke omstandigheden onder een brug leeft. Enkele kinderen kwamen op deze manier in een weeshuis terecht. Maar de kinderen waren zo ongelukkig, dat ze de benen namen. De betreffende NGO heeft vervolgens niets gedaan om de kinderen op te sporen. Terwijl door de ouders wel oproepen op de radio zijn gedaan om de vermiste kinderen op het spoor te komen. Gelukkig hebben de kinderen zelf, na enkele weken zwerven in een voor hen compleet onbekende stad, de weg terug naar huis gevonden. Wat we zien, is dat ontwikkelingslanden zich vaak spiegelen aan wat er gebeurt in de Westerse landen. En daar moeten we van af. Alsof de Westerse wereld alles weet en alle oplossingen heeft! Wereldwijd, voor zowel de Westerse als de ontwikkelingslanden geldt: we zouden er goed aan doen om beter te luisteren naar wat de mensen die in extreme armoede leven in te brengen hebben.

Bent u optimistisch als u om u heen kijkt en ziet wat er in de wereld allemaal gebeurt?

Als ik de krant lees, dan ben ik niet optimistisch. Er zijn veel ontwikkelingen, die de mensheid op dit moment voor grote uitdagingen stellen. Neem de financiële crisis, de milieucrisis, de uitsluiting en het geweld in de wereld. Toch is er volgens mij een reden voor optimisme: als het ons tenminste lukt om mensen in extreme armoede echt te leren kennen en waarderen. Er is daar zóveel intelligentie aanwezig waar de wereld tot nu toe nog geen profijt van
heeft getrokken. We kennen allemaal die briljante koppen, die de wereld zo vooruit hebben geholpen. Maar er is nóg een bron van intelligentie. Uit die intelligentie hebben we nog niet geput. Ook die zou een onderdeel moeten zijn van de ontwikkelingen. Mensen in extreme armoede hebben een weten voorbij de eenvoudige woorden die ze spreken; een weten, dat vaak niet in geijkte kaders kan
worden ingepast. Volgens mij zijn we als mensheid op de goede weg als het meer en meer landen en mensen lukt om ruimte te geven aan de intelligentie van deze mensen. Als het lukt om de voorwaarden te creëren waardoor (ook) mensen die leven in extreme armoede aanspraak kunnen maken op de respectering van de mensenrechten,
als zijnde één geheel en ondeelbaar. En het besef dat het mogelijk is: dat maakt me dan weer optimistisch!

John Habets & Henk Gloudemans

* Inmiddels is er, ondanks de ’red zone’, wel sprake van een aanwezigheid van beperkte omvang van 2 ngo’s.
1 Voor uitgebreidere informatie: zie Vierde Wereld Verkenningen 18,
Internationale noodhulp bij rampen ziet de armsten over het hoofd,
ervaringen uit Haïti, verkrijgbaar bij ATD Vierde Wereld Nederland.
2 Straatbibliotheken zijn een actie van ATD Vierde Wereld, waarbij
vaste medewerkers en vrijwilligers regelmatig met boeken en andere
leer- en expressiemiddelen naar arme buurten of geïsoleerde dorpen
gaan. 3 De mensen die extreme armoede aan den lijve ondervinden, zijn de eersten die iets over extreme armoede te zeggen hebben, aldus Joseph Wresinki, de stichter van ATD Vierde Wereld. In 1972 start hij in Parijs wekelijkse dialogen met de mensen van de ’Vierde Wereld’. In 1982 krijgt deze dynamiek de naam ’Volksuniversiteit van de Vierde Wereld’. Mensen in armoede en anderen ontmoeten elkaar en wisselen nieuws, ervaringen en kennis uit.